"Ze kon niet de warmte geven die moeder ons had gegeven"

Bep de Roock is 98 jaar. Ze woont in een verpleeghuis in Den Haag. Op jonge leeftijd wordt ze wees. Gelukkig krijgt ze samen met haar broers hulp van de Oudkatholieke Kerk.

Bep, Leo en Jan Trip

Foto is gemaakt in het arm- en weeshuis St. Jansplaats in Rotterdam, 1925

Alle rechten voorbehouden

Bep wordt in 1915 geboren in Rotterdam als zesde kind van het gezin Trip. Twee jaar later volgt er nog een broertje. Haar vader overlijdt rond 1918 aan de Spaanse griep. Moeder Trip blijft als weduwe met zeven kinderen achter. Als Bep 9 jaar is, overlijdt ook haar moeder. Haar oudste broers en zussen vragen om hulp bij de Oudkatholieke Kerk in Rotterdam. Met succes, want Bep mag met haar broer Jan (11) en jongere broer Leo (7) wonen in het aan de Paradijskerk grenzende gebouw: het arm- en weeshuis St. Jansplaats.

De pleegmoeder
De kinderen wonen daar als enige, krijgen alle drie een eigen kamer en worden verzorgd door een pleegmoeder die ze ‘moeder’ noemen. Niet omdat ze nu zo’n warm persoon was, maar het klonk nu eenmaal beter dan ‘mevrouw’. De pleegmoeder ziet haar zorgtaak duidelijk als werk. Bep: “Als ik op schoot wilde zitten, mocht dat niet, ook mijn pogingen tot een omhelzing bleven onbeantwoord. Ze kon niet de warmte geven die moeder ons had gegeven. Zij bedoelde het wel goed. Dit heeft mijn karakter gelukkig positief gevormd. Ik heb altijd geprobeerd zo veel mogelijk warmte aan een ander te geven, zo slim was ik wel. Met koel zijn bereik je niets en daardoor is iedereen even dol op mij.”

Ellebogen
Elke zondag zit Bep met haar broers op de eerste rij in de Oudkatholieke Kerk. Na de dienst worden de kinderen opgehaald door een van de oudere broers of zussen voor een wandeling of ander uitje. Hoewel er van alles is om mee te spelen, is de sfeer in de St Jansplaats koeler en minder intiem dan in Huize Trip. Bep herinnert zich nog dat ze absoluut niet met haar ellebogen op tafel mocht zitten. “Onze handen moesten we altijd netjes naast het bord leggen op de eettafel. En elke ochtend en avond knielden we onder toeziend oog van onze pleegmoeder voor een gebed dat we hardop uitspraken”. Dienstbode Jannetje zorgt ervoor dat het huis schoon is en altijd naar zeep ruikt. Soms moet Bep van haar de koperen richels op de traptreden boenen. Verder herinnert Bep zich geen verplichtingen.

Opleiding
“Ik heb een prima jeugd gehad in de St. Jansplaats, het heeft mijn karakter gevormd en mij kansen geboden. Zo genoten mijn broers en ik alle drie een opleiding, betaald door de kerk. Mijn ouders hadden dat nooit voor ons kunnen betalen.” Broer Jan wordt kapitein en Bep haalt in 1934 haar Akte van Bekwaamheid voor Lager Onderwijs, huis- en schoolonderwijs in de Nuttige Handwerken voor Meisjes. Met die akte op zak gaat ze enige tijd aan de slag als lerares. Ze woont dan nog in de St Jansplaats. Op haar 19e wordt ze gouvernante in een welgesteld gezin en verlaat ze de St. Jansplaats. Een aantal jaar later trouwt Bep en verlaat ze de familie. Bep: “De twee jongens die ik onder mijn hoede had, komen mij nog steeds opzoeken.”

Alle rechten voorbehouden

Media